Nexgard Combo Spot-on Kat 2,5-7,5kg Opl 3x0,9ml
Op voorschrift
Geneesmiddel

Nexgard Combo Spot-on Kat 2,5-7,5kg Opl 3x0,9ml

  € 37,71
Belangrijke informatie

Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.

Maximum toegelaten hoeveelheid in winkelwagen bereikt

  € 37,71
Op bestelling

NexGard Combo is een antiparasitair diergeneesmiddel dat wordt gebruikt voor de behandeling van menginfecties met uitwendige parasieten (vlooien, teken of oormijten) en inwendige parasieten (lintworm en rondwormen) bij katten. Het geneesmiddel mag alleen worden gebruikt bij bevestigde menginfecties of wanneer katten een aanzienlijk risico lopen op menginfecties met uitwendige parasieten en rondwormen en tegelijkertijd behandeld moeten worden tegen lintworm. Als er geen risico op co-infestatie bestaat, moet het gebruik van een parasiticide met een smaller spectrum overwogen worden.

Voor uitwendige parasieten is één dosis NexGard Combo gedurende één maand werkzaam tegen vlooien en tekeninfestatie. Het middel kan ook worden gebruikt voor de behandeling van infestaties met oormijten en als onderdeel van de behandeling van door vlooien veroorzaakte allergische dermatitis (een allergische reactie op vlooienbeten).

Voor inwendige parasieten kan NexGard Combo worden gebruikt voor de behandeling van infecties met lintwormen en rondwormen/haakwormen in de darmen en longwormen en een rondworm die de blaas infecteert. NexGard Combo kan ook worden gebruikt voor de preventie van hartwormziekte; één dosis biedt bescherming gedurende één maand.

NexGard Combo bevat de werkzame stoffen esafoxolaner, eprinomectine en praziquantel.

Speciale waarschuwingen: Wanneer het diergeneesmiddel wordt toegediend bij langharige rassen, dient speciale aandacht besteed te worden aan het toedienen, om ervoor te zorgen dat het diergeneesmiddel direct op de huid wordt toegediend en niet op de vacht, aangezien dit kan leiden tot een lagere biologische beschikbaarheid van de werkzame bestanddelen. Teken en vlooien moeten zich met de gastheer gaan voeden om aan esafoxolaner te worden blootgesteld; daarom kan het risico op overdracht van door geleedpotigen overgedragen ziekten niet worden uitgesloten. Katten in gebieden endemisch voor hartworm, of die gereisd hebben naar endemische gebieden, kunnen geïnfecteerd zijn met volwassen hartwormen. Hoewel het diergeneesmiddel veilig kan worden toegediend aan met volwassen hartwormen geïnfecteerde katten, is er geen therapeutisch effect tegen volwassen Dirofilaria immitis vastgesteld. Daarom wordt aanbevolen dat alle katten van 6 maanden of ouder, die in gebieden leven waar hartworm endemisch is, worden getest op bestaande volwassen hartworminfectie voorafgaand aan de behandeling met het diergeneesmiddel voor hartwormziekte preventie. Lintworminfectie kan opnieuw optreden, tenzij bestrijding van tussengastheren zoals vlooien, muizen enz. wordt uitgevoerd. Sommige katten met een patente Joyeuxiella spp. of Dipylidium caninum infectie kunnen desondanks een hoge proportie van juveniele wormen huisvesten, die minder gevoelig zijn voor het diergeneesmiddel; daarom wordt bij zulke infecties een hercontrole na behandeling aanbevolen. Parasitaire resistentie tegen elke bepaalde klasse van antiparasitaire middelen die deel uitmaakt van het vaste combinatiemiddel, kan zich ontwikkelen na herhaaldelijk gebruik van antiparasitaire middelen uit die klasse gedurende een langere periode. Daarom moet rekening worden gehouden met epidemiologische informatie over de huidige gevoeligheid van de doelsoorten om de mogelijkheid van een toekomstige selectie voor resistentie te beperken. Onnodig gebruik van antiparasitica of gebruik anders dan aangegeven in de SPC kan de selectiedruk op resistentie verhogen en leiden tot verminderde werkzaamheid. De beslissing om het diergeneesmiddel te gebruiken dient gebaseerd te zijn op bevestiging van de parasitaire soort en mate van besmetting, of op een inschatting van het risico van een herbesmetting gebaseerd op epidemiologische eigenschappen.In afwezigheid van een risico op co-infectie dient een diergeneesmiddel met een smal spectrum gebruikt te worden. De mogelijkheid dat andere dieren in hetzelfde huishouden een bron van herinfectie met vlooien of wormen kunnen zijn, moet in overweging worden genomen, en indien nodig moeten deze behandeld worden met een geschikt diergeneesmiddel. Vermijd het wassen met shampoo van het dier binnen 2 dagen na toepassing, omdat de effectiviteit van het diergeneesmiddel in dit geval niet is getest. Om herinfestatie door het opduiken van nieuwe vlooien te verminderen, wordt aanbevolen om alle katten in een huishouden te behandelen. Andere diersoorten die in hetzelfde huishouden leven, moeten ook met een geschikt diergeneesmiddel worden behandeld. Alle stadia van de vlooien kunnen de mand van de kat, het beddengoed en de gewoonlijke rustplaatsen, zoals tapijten en gestoffeerde meubels, infesteren. In geval van massale vlooien infestatie en bij aanvang van de beheersingsmaatregelen dienen deze plaatsen te worden behandeld met een geschikt middel voor de omgeving en vervolgens regelmatig te worden gestofzuigd. Eén laboratoriumonderzoek tegen een tekensoort heeft aangetoond dat het dragen van een kraag of kap vanaf het moment van behandeling tot twee dagen daarna de werking van het diergeneesmiddel kan vertragen.

Behandelen van infestaties met vlooien, teken, oormijten, lintwormen, larven, hartwormziekte, feline longwormen en blaaswormen.

Per spot-on applicator:

NexGard Combo

Volume per eenheidsdosis

(ml)

Esafoxolaner

(mg)

Eprinomectine

(mg)

Praziquantel

(mg)

Katten 2.5->7.5 kg 0.9 10.80 3.60 74.70

Hulpstoffen: Butylhydroxytoleen (E321) 1 mg/ml.

De aanbevolen minimumdoses zijn 1,44 mg esafoxolaner, 0,48 mg eprinomectine en 10 mg praziquantel per kg lichaamsgewicht.

3.8 Interactie met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Geen bekend.

  1. Bijwerkingen Kat: Soms (1 tot 10 dieren/1 000 behandelde dieren): Hypersalivatie1 (verhoogde speekselvloed), diarree1 , emesis1 (braken), alopecia (kaalheid) op de toedieningsplaats1,2, pruritus (jeuk) op de toedieningsplaats1,2, lethargie1 (verminderde activiteit) en anorexie1 (verlies van de eetlust). 1 Meestal milde reacties, van korte duur en zelflimiterend. 2 Voorbijgaand

Het melden van bijwerkingen is belangrijk. Op deze manier kan de veiligheid van een diergeneesmiddel voortdurend worden bewaakt. Indien u bijwerkingen vaststelt, zelfs wanneer die niet in deze bijsluiter worden vermeld, of u vermoedt dat het geneesmiddel niet heeft gewerkt, neem dan in eerste instantie contact op met uw dierenarts. U kunt bijwerkingen ook melden aan de houder van de vergunning voor het in de handel brengen of de lokale vertegenwoordiger van de houder van de vergunning voor het in de handel brengen met behulp van de contactgegevens aan het einde van deze bijsluiter of via uw nationale meldsysteem: {gegevens van het nationale systeem}.

Niet gebruiken bij overgevoeligheid voor de werkzame bestanddelen of (één van) de hulpstoffen.

Dracht en lactatie: Kan gebruikt worden bij drachtige en zogende poezen. Vruchtbaarheid: Kan gebruikt worden bij fokpoezen. De veiligheid van het diergeneesmiddel is niet bewezen bij fokkaters. Uit laboratoriumonderzoek bij ratten en konijnen zijn geen gegevens naar voren gekomen die wijzen op nadelige effecten van de werkzame bestanddelen op het voortplantingsvermogen bij mannelijke dieren. Uitsluitend gebruiken bij fokkaters overeenkomstig de baten-risicobeoordeling door de behandelende dierenarts.

Voor topicale toediening op de huid (toediening als spot-on). Dosering: De aanbevolen minimumdoses zijn 1,44 mg/kg esafoxolaner, 0,48 mg/kg eprinomectine en 10 mg praziquantel per kg lichaamsgewicht.

Selecteer de juiste applicatorgrootte voor het gewicht van de kat (0,3 of 0,9 ml, zie rubriek "Samenstelling"). Om een juiste dosering te waarborgen dient het lichaamsgewicht zo nauwkeurig mogelijk bepaald te worden. Onderdosering kan leiden tot ineffectief gebruik en kan de ontwikkeling van resistentie bevorderen.

Wijze van gebruik: 1. Gebruik een schaar om de blisterverpakking langs de stippellijn open te knippen. 2. Trek vervolgens het folie weg. 3. Haal de applicator uit de verpakking en houd deze rechtop met de rubberen dop omhoog. Trek de zuiger iets terug (ongeveer 1 cm). Let op dat de zuiger er niet uit komt. 4. Draai en trek de dop eraf. 5. Scheid de vacht op de middenlijn van de nek, tussen de schedelbasis en de schouderbladen, tot de huid zichtbaar is. Plaats de punt van de applicator op de huid en breng de gehele inhoud langzaam direct op de huid aan op één plek. Het diergeneesmiddel moet toegediend worden op een droge huid, op een plek waar de kat het er niet van af kan likken. Bij langharige rassen moet speciaal aandacht worden besteed aan het toedienen van het diergeneesmiddel op de huid en niet op de vacht, om optimale werkzaamheid te garanderen. 6. Was uw handen na gebruik.

Behandelingsschema: Voor de behandeling van infestaties met vlooien en/of teken en/of mijten, en de gelijktijdige behandeling van gastro-intestinale en/of pulmonale, en/of vesicale nematoden, en/of oogwormen, en cestoden, dient een enkele dosis van het diergeneesmiddel te worden toegediend. De noodzaak en de frequentie van herbehandeling moet in overeenstemming zijn met het advies van de behandelende dierenarts en er moet rekening worden gehouden met de lokale epidemiologische situatie en de leefwijze van de dieren (bijv. toegang tot buitenshuis). Zie ook rubriek "Speciale waarschuwingen".

Gebieden die niet endemisch zijn voor hartworm of feline longworm: Katten die niet worden blootgesteld aan een permanent risico op hartworm- of feline longworminfectie, moeten worden behandeld volgens een door de behandelende dierenarts voorgeschreven schema, aangepast aan de individuele situatie van herinfectie/-infestatie met parasieten. Anders moet een diergeneesmiddel met een smal spectrum worden gebruikt om een duurzame behandeling tegen relevante parasieten te garanderen.

Hartworm endemische gebieden: Katten die in gebieden leven die endemisch zijn voor hartworm en worden herkend als jagers, kunnen met maandelijkse intervallen worden behandeld om zowel een geschikte preventie van hartwormziekte als de behandeling van mogelijke herinfectie met cestoden te garanderen. Anders moet een diergeneesmiddel met een smal spectrum worden gebruikt voor verdere behandeling. Preventie van hartwormziekte door het doden van Dirofilaria immitis larven moet gestart worden binnen 1 maand na de eerste verwachte blootstelling aan muggen en moet worden voortgezet tot tenminste 1 maand na de laatste blootstelling aan muggen.

Feline longworm endemische gebieden: Katten met een verhoogd risico (jachtgedrag) die in endemische gebieden leven, kunnen met maandelijkse intervallen behandeld worden om het risico op het ontstaan van volwassen longwormen die verantwoordelijk zijn voor klinische aelurostrongylose te verminderen en om mogelijke herinfectie met cestodes te behandelen. Anders moet een diergeneesmiddel met een smal spectrum gebruikt worden voor verdere behandeling.

Longworm behandeling: Er kan geen of slechts weinig effect verwacht worden op het vrijkomen van L1 larven van A. abstrusus in de feces binnen ongeveer twee weken na de behandeling, door de trektocht van de L1-larven uit de longen door het spijsverteringskanaal. Elke telling van larven in de feces om de werkzaamheid van de behandeling te controleren (en de beslissing of een tweede behandeling met een diergeneesmiddel met een smal spectrum nodig is), mag daarom op zijn vroegst pas twee weken na de behandeling worden genomen.

Oormijten: Bij oormijten moet 4 weken na de behandeling verder onderzoek gedaan worden door de behandelende dierenarts om te bepalen of een aanvullende behandeling met een diergeneesmiddel met een smal spectrum nodig is.

Oogwormen: Het volledige behandelingsresultaat tegen Thelazia callipaeda wordt verwacht 14 dagen na de behandeling.

CNK 4295259
Organisaties Boehringer Ingelheim Animal Health
Merken NexGard
Breedte 104 mm
Lengte 149 mm
Diepte 25 mm
Behoud Kamertemperatuur (15°C - 25°C)